|


Koffiepot, gemaakt van tin
bij de firma Daalderop te
Tiel, ca. 1900





|
geschiedenis van het museum
Het huidige Flipje en Streekmuseum is gedeeltelijk voortgekomen uit het initiatief van de Vereniging Oudheidkamer voor Tiel en Omstreken.
Deze vereniging begon in 1901 met het verzamelen en tentoonstellen van objecten die betrekking hebben op de Nederlandse geschiedenis en kunst(nijverheid) in het algemeen, maar meer in het bijzonder Tiel en het westelijk rivierengebied.
In de beginjaren rekende men daar ook Maas en Waal nog bij.
Het allereerste museum was gehuisvest in een lokaal van het herenhuis De Appelenburg, gelegen op de hoek van de St. Walburgstraat en het Hoogeinde.
Het bestuur bestond uit zeven leden, van wie er drie uit de stad Tiel afkomstig moesten zijn. De leden betalen één gulden contributie per jaar en mogen gratis de collectie bezichtigen.
Niet leden moesten hun portemonnee trekken en een dubbeltje neertellen; kinderen kregen toegang voor een stuiver.
Opgravingen in Kesteren (1904) en IJzendoorn (1907) verrijken de collectie met objecten, scherven en botten van Romeinse en 'Germaansche' oorsprong.
Dit geeft aanleiding tot een discussie over het verzamelbeleid en de presentatie.
Voorzitter Van Kinschot omschreef het zo: Onze Ohk moet van alles wat geven en niet eenzijdig worden…..'.
En in feite is deze gedachte altijd het richtinggevende idee achter het verzamelbeleid van de Oudheidkamer gebleven.
De inventarislijst die omstreeks 1940 werd opgesteld telt 1203 nummers.
Het is een bonte opsomming van historische en kunstzinnige objecten, zoals archeologica, zilverwerk, schilderijen, topografie, militaria, munten, boeken, gildestukken, gedenkstenen etc.
Deze collectie zou het einde van de Tweede Wereldoorlog niet halen.
De vreselijke beschietingen van winter 1944/45 waren niet alleen voor de geëvacueerde stad fataal, maar ook voor de oudheidkamer.
Slechts de gemeentelijke bezittingen overleefden de ramp.
Na de oorlog hadden de inwoners wat wel anders aan het hoofd dan zich te bekommeren om het verdwenen museum.
De stad moest worden opgebouwd.
Anderzijds boden al die open plekken in de stad wel een goede gelegenheid archeologisch onderzoek te verrichten.
Historisch bewustzijn was niet helemaal verdwenen. In 1950 vierde de stad op grootse wijze het 1500 jarig bestaan, hoe aanvechtbaar dit feit ook was.
De Vereniging Oudheidkamer was nooit officieel ontbonden en bestond in feite nog. In 1955 was er weer een bestuur.
Wat later begon men op bescheiden schaal weer met verzamelen en het organiseren van activiteiten.
In 1961 kwam er een gebouw: de oude school aan de Agnietenstraat.
De collectie bestond voor meer dan de helft uit bruiklenen van het Rijk, het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap en het Historisch Museum te Rotterdam.
De gemeente verleende medewerking door belangwekkende stedelijke zaken in bruikleen te geven: de collectie Chassé, bodebussen, bodestaven en het drieluikje met 'De verzoeking van de heilige Anthonius', uit 1525.
Steeds had het bestuur van de Oudheidkamer het verblijf aan de agnietenstraat als tijdelijk gezien.
In 1972 bood zich een goede gelegenheid aan naar elders te verhuizen. De gemeente had het gebouw van de Groote Sociëteit laten restaureren en zocht een passende bestemming.
Een verhuizing volgde. Op 6 maart 1976 kon burgemeester K.Broekens door het aansteken van de kaarsen in de grote kroonluchter in de stijlkamer het nieuwe streekmuseum 'De Groote Sociëteit' zoals de naam inmiddels luidde officieel openen.
De jaren daarna konden collectie en presentaties worden uitgebreid.
Op de zolder kwamen twee pleinen met de huisjes van oud-Tielse ambachtslui als een schoenmaker, glasblazerij, klompenmaker, tingieterei, een café anno 1920, bakkerij, kleermakerij.
De rest van de collectie groeide navenant.
Met steun van de gemeente Tiel en particuliere fondsen konden topstukken worden verworven, zoals een zilveren broodmand, in 1775 vervaardigd door de Tielse edelsmid Adrianus van Oosterhoudt, voor Tielenaar Johannes Dijckmeester; werk van Tielse kunstenaars als Johan Ponsioen, H.C. van Mourik en Johan Doelenman; Tielse munten uit de elfde eeuw.
In 1989 kon het tot dan toe oudste schilderij van de hand van een Tielse schilder aan de verzameling worden toegevoegd: een landschap van Dirk van Oosterhoudt uit circa 1810.
In 1987 neemt de gemeente Tiel het bestuur van het museum over.
Vanaf die datum is het een gemeentelijk museum. In 2002 vindt een uitbreiding van het museum plaats in de vorm van het Flipje & Jammuseum, dat gelegen is aan de andere kant van de Waterpoort.
Dit resulteert in een aanmerkelijke vergroting van het aantal bezoekers.
Vanaf 2005 krijgt het museum het predikaat "erkend museum" en voldoet het aan de noodzakelijk eisen van een professioneel museum.
In 2006 komt er een lift in het gebouw en verhuist het ernaast gelegen Flipje en Jammuseum naar het pand De Groote Sociëteit.
Om het geheel een eigen naam te geven wordt er een prijsvraag uitgeschreven. Deze wordt gewonnen door Mevr. R. Kreeft. Zij verzint de naam FEST, Flipje en Streekmuseum Tiel.
FEST is een modern museum met een nostalgische knipoog naar het verleden van Tiel in de vorm van het fruitmannetje Flipje.
De gehele collectie staat in het teken van voedsel en verbind daarmee de collectie Flipje, de collectie Hoogenboom, de collectie tin en metaal en de historische collectie van het museum.
Het museum verwerft jaarlijks nieuwe collectie door die zelf aan te kopen aan de hand van het collectieplan. Het museum ontvangt een vaste groep leerlingen uit het basis en voortgezet onderwijs.
Is een samenwerking aangegaan met diverse andere musea in het Rivierengebied dat geresulteerd heeft in een prachtige folder.
In samenwerking met de Zaak van de Stad en diverse ondernemers zijn er arrangementen samengesteld.
terug naar het begin
geschiedenis van Flipje
De fabriek maakte al jaren reclame voor hun producten. Door de toenemende concurrentie wilde De Betuwe zich gaan onderscheiden van anderen.
Ze verzochten het reclamebureau ‘Van Alfen’, waar ze al jaren mee werkten, om een poppetje of figuurtje te verzinnen.
Philip van Alfen bedacht in 1935 een mannetje met een dikke frambozenlijf en armen en beentjes van rode bessen. Naar een naam werd druk gezocht tot Van Alfen uitriep: ‘desnoods noemen we hem Flip!”.
Het vruchtenmannetje, met de naam ‘Flipje’ op zijn muts, moest voortaan het herkenbare logo van de Tielse jamfabriek worden.
|
De eerste tekeningen van Flipje, de zogenaamde ‘oerflip’, waren van Daan Hoeksema.
Flipje beleefde toen nog geen avonturen.
Daan Hoeksema tekende toen voor De Betuwe kleine vierkante reclameboekjes waar op de laatste pagina het stille figuurtje op een muur verscheen.
Henk Rotgans bracht in de daaropvolgende serie boekjes Flipje tot leven samen met zijn vriend de Aap.
|
|
 |
Ter kennismaking met het grote publiek verscheen Flipje in een puzzel en kon men er een (zeker voor die tijd) grote geldprijs mee winnen. |
| Behalve in kleine boekjes verscheen Flipje ook in de etalages van de kruidenier, in advertenties en op etiketten.
In 1936 ontstaat het idee om Flipje avonturen te laten beleven op ca 1 meter lange filmstroken.
Martinus Eelco ten Harmsen van der Beek wordt gevraagd om de verhaaltjes te tekenen.
Er volgen een hele reeks verhaaltjes geïllustreerd en voorzien van rijmpjes door de hele familie Ten Harmsen van der Beek. |
Lieve lezers, lezeresjes,
Wat of hier wel volgen gaat?
’t Is een film van Flipjes leven,
’t is Tielsch Flipje, die hier staat! Tuinman Pip en zijn zoon Pipje hebben een frambozenplantje in de Betuwe staan. Met veel liefde verzorgen ze de plant tot er vruchten aan groeien. Echter 1 van de vruchten groeit en groeit tot het een enorme vrucht wordt. Ze plukken de framboos en brengen hem naar de zomerfee. Daar gaan ze aan tafel met de andere kabouters. Als de grote framboos als dessert op tafel wordt gezet begint de tuinman te huilen.
Zomerfee begon te lachen …
‘Veeg je tranen maar gauw af!
‘k zal iets heel moois van hem maken.
Kijk, met deze tooverstaf.’
Even raakte zij de pracht-vrucht
Met haar gouden stafje aan.
|
Geboorte van Flipje Tiel door de Zomerfee |
|
‘Kijk’ zei de Zomerfee, ‘hier zie je
Nu Tielsch Flipje voor je staan!’
|
|
Het Fruitmannetje zag het levenslicht. Zijn avonturen beginnen in Kabouterland, waarna hij met een luchtballon in Dierenland terrecht komt. Daar ontmoet hij Bertje Big, Jasper Aap, Olifant Flapoor, Kroesje Beer, Mauwmauw, Juffrouw Schaap en nog velen meer.
Samen met zijn vriendjes beleefde hij vele avonturen, waar altijd een opvoedende moraal aan vast zat en waarbij uiteraard de producten van De Betuwe een rol speelden. |
 |
| Flipje veranderde met de jaren. De ‘oerflip’ uit 1935 is een wat houterige dikke framboos op klompen. Hij had geen gezichtsuitdrukking. Op zijn hoofd stond een hoge rechte koksmuts. |
 |
| In de jaren 50 was Flipje minder zwaar, veel vlotter met laarsjes en een brede muts met meer plooien. Hij had meer menselijke verhoudingen, blozende appelvormige wangetjes en een schalkse lach. Deze Flip is het bekendst geworden. |
 |
De Flip van de jaren 70 was het minst populair. Deze wordt ook wel de Flip met de Alexander-look genoemd.
Een Flip met een bos haar en zonder kuif. De gezichtsuitdrukking is ook verdwenen. |
 |
In de jaren 80 werd een nieuwe Flip ontworpen.
Een figuurtje met een blonde lok en sinds 1994 met een schaduw. |
 |
| In 2002 is er een nieuw Flipje geboren, compleet met de handschoentjes en kuif van vroeger, maar dan in een modern vrolijk jasje gestoken |
 |
Met dank aan Joost Meeter voor de informatie.
www.flipje-tiel.nl
terug naar het begin
geschiedenis van Tiel Tiel kent als een van de oudste middeleeuwse steden van ons land een rijk verleden.
In 869 schonk de Frankische koning Zwentibold aan Tiel het tolrecht.
Dit privilege stond, evenals de zeer vroege stichting van de St.Walburgkerk - rond het jaar 900 - aan de wieg van de middeleeuwse handelsstad die ontstaan is bij de splitsing van de Linge en de Waal.
Archeologisch onderzoek door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in de binnenstad van Tiel bevestigt de uit bronnen bekende positie als handelsnederzetting van internationale betekenis in de tiende en elfde eeuw. Bij onderzoek in de binnenstad werd de bedding van de Linge aangetroffen die ooit door de huidige binnenstad stroomde.
Uit de datering van de verschillende beschoeiingen blijkt dat Tiel vanaf de late tiende eeuw kades ging aanleggen.
De beschoeiingen werden gemaakt van afgedankt scheepshout.
Zeer opmerkelijk was de vondst van delen die vermoedelijk behoord hebben tot een Vikingschip.
Dat schip was deels verbrand en dat heeft vermoedelijk te maken met de plundering van het rijke Tiel in 1006.
Door onderzoek in de wijk Passewaay weten we iets van de Bataafse bewoners van het rivierengebied in de eerste eeuwen van de jaartelling.
Bij de stadsuitbreiding door deze wijk zijn diverse nederzettingen en een uniek grafveld onderzocht die toebehoorden aan deze inheemse inwoners van het romeinse rijk.
De Tielse handel voer al in de elfde eeuw op Engeland.
Tiel werkte daarbij samen met Keulen. De twee steden vormden in Londen een koopliedengilde, dat daar over een eigen 'Hanshus' (handelshuis) beschikte.
In de dertiende eeuw ontstond de machtige Duitse Hanze.
Tiel trad toe tot dat verbond van handelssteden, dat vooral de Oostzeehandel tot bloei bracht.
De welvarende handelsstad was in de middeleeuwen erg aantrekkelijk om in bezit te hebben.
De macht over de stad was menigmaal de inzet van een hardhandige controverse tussen de graven van Gelre en de hertogen van Brabant.
In 1339 werd de stad definitief Gelders toen hertog Jan II van Brabant Tiel aan het hertogdom Gelre overdroeg.
In de late middeleeuwen en de zestiende en zeventiende eeuw breidde de ommuurde stad zich verder uit met een voorstad en vestigingwerken.
De stad richtte zich hierbij sterk op de Waal.
Uit de rijke verscheidenheid van ambachten ontstonden in de tweede helft van de vorige eeuw bedrijven die nu aan meer dan 10.000 inwoners van de stad en streek werkgelegenheid bieden. Vanaf die tijd ging de stad ook groeien buiten de oude stadsgrenzen.
In het oude stadscentrum herinneren vele monumenten aan dat rijke verleden, zoals de St.Maartenskerk, de Waterpoort met Groote Sociëteit, het Kantongerecht en het uit 1525 daterende Ambtmanshuis, waarin een gedeelte van het nieuwe stadshuis is gevestigd.
Kijk verder bij: www.regionaalarchiefrivierenland.nl
terug naar het begin |
|